(Eerste) indrukken

Iedere keer dat je een nieuw iemand ontmoet, krijg je een eerste indruk. Die eerste indruk is wederzijds. Je kunt er niks aan doen, je kunt je er niet aan onttrekken, het gebeurt in de eerste paar seconden en je mening is meteen gevormd. Aardig, niet aardig, lelijk, vertrouwenwekkend, saai, ongeïnteresseerd, etc.

Eerste indrukken zijn zeer bepalend en kunnen ook een beetje afgedwongen worden.
Een brede glimlach, een al dan niet stevige hand, een hartelijke of koele begroeting dragen bij aan een eerste indruk.

Dat gebeurt niet alleen in de dagelijkse omgang, maar ook in de professionele wereld. Beroepskleding is ook een manier om bij te dragen aan eerste indrukken. De politieagent draagt een uniform om gezag uit te stralen, de winkelmedewerker met bedrijfskleding geeft aan een aanspreekpunt te zijn.

De bedrijfskleding in ziekenhuizen is voornamelijk wit. Verpleegkundigen met kort jasje en witte broek (jurkjes zie je niet meer), artsen met lange witte jas (meestal openhangend met statussymbool stethoscoop). Loopt er iemand rond in opvallend roze of blauwe overal, is het meestal iemand uit de operatiekamer. Huisartsen, psychologen en psychiaters dragen meestal geen witte jassen.

Waarom is dat eigenlijk, die witte jas? Daarover zijn talloze verhalen en analyses te lezen op internet. Daar ga ik me hier niet aan wagen. Veel meer is van belang: wat doet een witte jas met een patiënt? Een witte jas straalt deskundigheid uit. Een witte jas straalt gezag uit. Een witte jas straalt uniformiteit uit. Wit straalt hygiëne uit. En als je dit op rij zet, lijkt het maar een kille bedoening. Ook al zijn we er allemaal aan gewend.

Maar een witte jas roept vaak ook afstandelijkheid op. De dokter die het allemaal (beter) weet, de gezaghebbende deskundige, de oplosser van jouw medische problemen. Je kijkt ertegen op. En als de arts dan ook nog een beetje strenge gelaatsuitdrukking heeft en de indruk wekt dat hij of zij weinig tijd heeft… Je kunt er zelfs een beetje bang van worden, ook al omdat de dokter niet altijd goed nieuws heeft. Wat heb je dan zelf nog meer in te brengen dan braaf vragen te beantwoorden voor een (vervolg)diagnostiek. “De dokter heeft gezegd dat ik ……”.

Moet je dan alles maar stilzwijgend over je heen laten komen, ook al heb je nog vragen?
Neen. Zeker niet. Je kunt ook zelf iets doen. Ik wil niet belerend zijn, maar mij hebben de volgende dingen geholpen. 

Probeer je arts (ook) te zien als gesprekspartner. Besteed, als je het kunt, aandacht aan je eigen eerste indruk, of vervolgindrukken. Vraag als je iets niet begrijpt of als er medische termen over de tafel vliegen. Neem iemand mee als je een beetje bang bent of je niet mondig genoeg voelt en denkt niet alles te zullen gaan begrijpen. Twee horen meer dan één en je kunt er later in alle rust over napraten. Vraag of je het gesprek op mag nemen, bijvoorbeeld op je mobiele telefoon. De meeste artsen hebben daar begrip voor.
Neem na meerdere contacten eens een roos mee (niet een boeket). Ontlok een glimlach.
Artsen staan ook stevig onder (mentale) druk.

En: probeer je de arts eens voor te stellen zonder witte jas. Daaronder zitten gewone kleren.
Een arts is in eerste instantie ook gewoon een mens voor wie hetzelfde geldt als voor ons allemaal: koning, keizer, admiraal, …….. moeten we allemaal.

 

Met vriendelijke groet,

John Ramaekers